Vraag en Antwoord
Op de vraag-en-antwoord-avond, donderdag 24 april 1952 (opgenomen in het derde deel van de boekenreeks Vraag en Antwoord op pagina 212), verklaart Jeus Jozef André Dectar de symboliek van het schilderij
(afgebeeld en besproken bij de 'brieven van Jozef Rulof') omstandig als onderdeel van het antwoord op de volgende vraag:
Ik heb hier: Ondergetekende, J.J. Grouw…
Van wie is dit briefje?
(Meneer in de zaal): ‘Van mij.’
Meneer, u hebt daar niet zo’n leuk briefje. …heeft een zeer vreselijke angst, neurose, voor de dood.
Hebt u boeken van ons gelezen?
(Meneer in de zaal): ‘Nee meneer.’
Meneer, dan heb ik er twintig voor u die u de dood ontnemen. Als u die neurose kwijt wil dan gaat u onmiddellijk beginnen met ‘Een Blik in het Hiernamaals’. U kunt ‘Jeus van moeder Crisje’ nog beter nemen, als ze er zijn nu, want daar… Ik was elf jaar en toen ging mijn vader over – en ik zag altijd ‘achter de kist’ – en toen hij begraven werd toen liep hij met mij achter zijn eigen lijk. Dan bent u ineens genezen, bent u ineens Magere Hein kwijt.
Het kost u tien cent, meneer, daarzo*), en u bent Magere Hein kwijt. Dat is toch niet te duur, vindt u niet? En Magere Hein verliest onherroepelijk zijn kroon als u dat leest. Neem vlug een paar boeken mee, meneer, dan bent u die neurose kwijt.
Maar, er zijn meer mensen geweest: ‘Ik heb angst, angst, angst.’ En dan kunt u ze honderdduizend boeken geven, meneer, en dan helpt het nog niet. Dat is ook alweer een toestand, die ligt dieper. Dat is zomaar niet in dagbewustzijn: ‘Ik ben angstig voor de dood’. Meestal is daar iets in, waardoor de mens op een gruwelijke manier in een vorige toestand, leven, van kant is gemaakt, en zodoende is die angst voor die dood… En dan leest u dat, leest u dat; en dan gaat die angst niet weg.
We hebben hier mensen bijvoorbeeld die durven niet over de straat; die zijn onherroepelijk een keer doodgereden of wat dan ook.
We hebben hier iemand onder ons die kan niet alleen zitten in een klein huisje, een afgesloten ruimte, dan wordt ze angstig, dan barst die boel bijna. Die ziel – ik keek in dat leven, en ik zag het – die is levend verbrand. Die angst, daar komt u mee terug, met dat gebeuren komt u terug. Doktoren en duizenden dingen kunnen die persoonlijkheid niet helpen, of u moet ze wéér in dat hokje stoppen, en nu gebeurt er niets; dan eerst is het weg. Kunt u niet omzeilen!
Dus u kunt nu wel gaan lezen, maar of het u helpen zal… Maar in ieder geval krijgt u toch een heel andere kijk.
En u bent ongeneselijk ziek?
(Meneer in de zaal): ‘Jawel.’
Meneer, als u dood gaat, snak toch naar de dood, verlang toch, laat die dood toch komen: u gaat niet dood, u gaat daarginds verder, u krijgt ‘vleugelen’, en u leeft daar bewust. Misschien gaat u terug naar de aarde, krijgt u een nieuw leven: dat is de reïncarnatie, als u dat kunt aanvaarden.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, dat weet ik wel.’
Weet u dat al?
(Meneer in de zaal): ‘Ja…’
Nou, meneer, dan moet toch Magere Hein ook bekend zijn bij u. Als u de reïncarnatie kent en aanvaardt, dan is er immers geen dood meer?
En toch is die angst er?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, ja.’
Ja, moet u eens een heerlijk kaartje met hem gaan leggen. U moet met hem gaan dammen. Maar oppassen dat hij het nooit wint. En hoe meer u hem beliegen kunt, meneer… een hoop kaarten, een hoop harten, en een hoop klaveren extra in uw jas, dan verliest de dood het altijd. Maar hij is geen dood, hoor, het is een moeder.
Ik heb een schilderij gekregen, een bord, een porseleinen bord, verleden; als u dat nu ziet, dan zegt u: ‘Dat is nu Magere Hein, dat is de dood.’ En dan staat daar een machtige verschijning, een geestelijke verschijning als een moeder. Ze zweeft. U kijkt helemaal door die verschijning heen, zo ijl is het geschilderd. En daar zit een oude man, die zit daar, en dan wijst die moeder met haar staf – de staf is een wet, evolutie is een staf, is een wet – en dan wijst ze zo naar dat levensboek en zegt: ‘Vandaag is het uw tijd.’ Maar daar ligt een appel, en er is leven, en een bloem – dus hij gaat door het leven – en daarnaast zit een meisje, dus hij wordt gereïncarneerd als een meisje. Dat heet moederschap. Op zo’n bordje. Ongelofelijk schoon.
Ik heb wel een idee, dames en heren, voor het nieuwe seizoen, die nieuwe borden… Er zijn er bij die wil ik voor geen goud kwijt, of het móét, want ze zijn pertinent geschilderd voor de Kosmologie. Dus als daar straks eens zo’n rijke komt dan moeten wij daar een boek van kunnen maken. Waar of niet, mevrouw? Bijvoorbeeld, een serie van die… die zijn al gefotografeerd, maar dan in het zwart, dan zijn ze niet zo duur. Want als u die allemaal om u heen hebt, nou, er gaat een uitstraling vanuit, een kracht; een stuk of zeven, acht. Ik zal proberen als we in het nieuwe seizoen nog adem hebben om wat[…]
Dus, zegt meneer, het kan elke dag gebeuren: ik ben er zeer beroerd en ellendig aan toe. Zou u zo niet zeggen, meneer, hè? En dan die angst voor de dood.
Ja meneer, wat moet ik u hier nu voor geven? Twintig boeken die u de angst ontnemen. Maar het kan zijn, na lezing, dat u nog met die angst rondloopt. En dan is het een deel van uw onderbewustzijn. Kijk, angst voor de dood door onwetendheid, dat leeft in het dagbewustzijn.
Een protestant en een mens die van deze dingen niets weet, voor die mens is nog dood dood. Hebt u een erg gelovig mens, een bijbelkenner, die zegt: ‘Ja, wij gaan door. Het staat in de bijbel’, als u het eruit haalt. Maar de mens die volkomen zo in het leven de wetten van leven en dood niet kent, voor die is de dood in dagbewustzijn ook angst.
Nu ben ik nieuwsgierig, wanneer u gaat lezen, of die angst verdwijnt. Meneer Hartman die kan u wel de boeken geven daarzo. U kunt ze hier krijgen. U kunt ze zondag, als u in Dilligentia komt kunt u ze kopen ook. Natuurlijk nog liever.
(Zaal: instemmende geluiden.)
Dan gaat de zaak vooruit, meneer. Ja meneer, we liegen hier niet. Ik wil wel graag een stel boeken aan u verkopen. We zijn echte sjacheraars, meneer, eerlijk is eerlijk. Ja, eerlijk is eerlijk.
Maar goed, als u nu gaat lezen dan hoop ik dat die angst voor de dood verdwijnt.
Hier zijn de mensen niet meer angstig voor de dood. De dood is evolutie, bewust verdergaan in de astrale wereld. Als u ‘Een Blik in het Hiernamaals’ leest, ‘Kringloop der Ziel’, ‘Tussen Leven en Dood’, daarzo, dan hebt u… Van het één gaat u in het ander, meneer. Als u die twintig boeken uit hebt, dan hoop ik toch wel dat die dood weg is. En al hebt u die angst als een psychologische wet in u… Dat wil zeggen – wat ik zoëven verklaarde – er is: in een vorig leven heeft een oerwoudbewoner van u soep gekookt, bij wijze van spreken. Dat kan terugliggen, meneer, tot in het oerwoud, want een mens die daar in het oerwoud komt en door zo’n wilde horde wordt beetgepakt, en ze smullen hem op zondagmorgen heerlijk op, dat is heus wel een schok. En een doodgewone dood zo op straat dringt niet zo tot het geestelijke leven door als een dood door levend verbrand zijn, of dáár iets. En dat zijn waarlijk geen nonsens.
Ik heb verscheidene mensen in die tijd, tussen 1930 en 1940, bij me gehad, toen genas ik, en die liepen met diezelfde gevoelens rond. Toen zegt ze: ‘Ja, ik weet alles’, ook gelezen, deed aan theosofie, kwam bij mij om boeken, ‘ik ben het nog niet kwijt, meneer.’ En die angst bleef.
Ik zeg: ‘Stelt u zich maar daar op in, u leeft nu in de maatschappij.’
En toen zei mijn meester: ‘Daar heb je zo’n geval, die door mieren zijn opgegete.’ Die bewust…
Kijk, als u een ongeval krijgt hier in een oerwoud of zo, u wordt aangevallen, dat is een shock voor het moment. Maar er zijn ook mensen… Hoeveel verschillende martelingen beleeft de mens niet, en passen ze niet toe op de persoon, op de mens, voordat die mens werkelijk sterft? En die marteling, die doorstane angst… Die smeren ze met stroop in, en laten ze een mens door mieren opeten. Die smeren ze met pek in, en steken de mensen in brand. Dat zijn dingen die gaan naar het onderbewustzijn. En daar komt u ook niet vanaf.
Voelt u het machtige verschil van een dagbewuste angst voor de dood, de mens die de wetten niet kent, én een angst die zuiver met de reïncarnatie, met uw vorige levens heeft uit te staan? Dat zijn machtige problemen. Aan de mens is onmiddellijk vast te stellen, als u weer een kleinigheid daarvan weet, of het waarlijk reïncarnatie is. Daarvan, ik ben zeer nieuwsgierig of… U moet daar zelf nu van kunnen genieten als u die wetten kent.
Weet u van reïncarnatie af?
(Meneer in de zaal): ‘O jawel.’
Als u de reïncarnatie pertinent aanvaardt, moet de dood zijn verdwenen, en moet ook die angst oplossen. En of u nu werkelijk ziek, of niet ziek bent, meneer… Wij zijn blij dat we kunnen gaan. Niet om degenen die achterblijven, dat is heus geen aardigheidje, daar lachen wij niet om. Maar we weten immers dat we straks voor ‘de kist’ staan, en we gaan weg, de één eerst en dan de ander, maar we zien elkaar terug; we gaan door, we leven in een bewuste wereld, dat is de geestelijke astrale wereld. Voor ons is er geen dood meer. Magere Hein en zijn pareltjes die hebben wij op de jas gestoken. Ik heb er tenminste eens vierduizend in de Spuistraat verkocht. Als u mijn Magere Hein ziet, meneer, die is zo straatarm, die loopt in vodden. Maar voor de wereld is die Magere Hein, die dood, nog zo rijk als ik weet niet wat, een koning met een scepter. Ik lach hem midden in zijn gezicht uit. En als hij praatjes heeft, dan kom ik zo: pvvt. Ik zeg: ‘Ga jij toch gauw weg.’ Voelt u, daar praten wij hier altijd over.
[einde tekst uit "Vraag en Antwoord Deel 3"]
|